De geschiedenis van de Gecombineerde Waterlossing

's Zomers ligt het water in het rivierengebied er zo rustig en vriendelijk bij. Je kunt bijna niet geloven, hoe verschrikkelijk de gevolgen van hoogwater kunnen zijn. Zo is het nog steeds, en eeuwen geleden was dat nog veel erger, laag gelegen dorpen in het tweestromenland stonden soms maanden onder water. "De historie van het afvoeren van al dat overtollige water in dit gebied, staat helemaal in het teken van conflicten. De hoger en de lager gelegen gebieden gaven elkaar voortdurend de schuld van hun ellende", aldus Jan Boon van het Nijmeegs gemeentearchief. Hij schreef de Inventaris van het archief van de Gecombineerde Waterlossing, 1630-1944, een overzicht van de oude archieven van deze instantie waarin de 'dijkstoelen' (polderdistricten) van Maas en Waal en het Rijk van Nijmegen door de eeuwen samenwerkten.
"Overlast en angst voor het wassende water beheersen de geschiedenis. Maar daarom is die ook heel spannend om te lezen", vertelt Boon. Hij beschrijft in het inleidende hoofdstuk de geschiedenis van de Gecombineerde Waterlossing. "Hoe de afvoer van het water ook geregeld werd, met dijken, binnendijkjes, weteringen of gemalen; er was altijd wel een plek in? Maas en Waal die er de dupe van werd." De archieven staan bol van geweeklaag over schermutselingen tussen de dorpen in het gebied. Hier en daar werd zelfs naar de wapens gegrepen bij het verdedigen van een dijk, als die bestormd werd door boeren uit buurdorpen die hem dreigden door te steken.


Simpel gezegd is het gebied ten westen van Nijmegen een 'zak die naar het westen steeds dieper wordt'. Regen en kwelwater stromen in natte tijden naar het diepste punt bij Dreumel en blijven daar staan.
Boon:" Het grappigste is dat men in de veertiende eeuw al zo'n beetje door had wat de beste manier was om de zaak te bedwingen. Maar het heeft nog zes eeuwen geduurd voordat er een grote wetering met vertakkingen dwars door het hele gebied van oost naar west kwam die in de Maas uitmondde".

Toen er in de Middeleeuwen langzaam maar zeker overal dijken langs de grote rivieren gekomen waren, bepaalde in 1321 de Graaf van Gelre dat er een weteringensyteem aangelegd moest worden en dat er een regionaal bestuurssysteem voor de waterbeheersing moest komen: de heemraad.

Van noord naar zuid werden ook dwarsdijkjes in het gebied gelegd, opdat het water niet allemaal tegelijk in West Maas en Waal terecht zou komen. In de wetering kwamen dammetjes en deuren, schutlakens genoemd, die naar wens open- en dichtgezet konden worden. Dat leek een eerlijke oplossing, maar in de praktijk moesten die dwarsdijkjes vaak door gewapende wachters verdedigd worden. Want er kwamen situaties waarbij een hoger gelegen dorp onder water stond aan de ene kant van het dijkje, terwijl een lager gelegen dorp aan de andere kant nog lekker droog lag. Met het water tot aan de lippen was de verleiding voor de boeren natuurlijk groot om zo'n dwarsdijkje door te steken. Met als gevolg voorgoed verstoorde verhoudingen, rechtszaken en strafexpedities boon kwam de gekste verhalen tegen in de vergeelde papieren. "Bij Appeltern werd zelfs iemand door de dijkwachters doodgeschoten, omdat hij de weteringwal wilde doorsteken. Ookkern Appelternkern Appeltern werd ooit een man die de dammen in de wetering open moest zetten, tijdens zijn tocht moedwillig dronken gevoerd; overal wilden de dorpelingen koste wat kost het 'water van boven' tegenhouden." Watersnoodrampen waren een bijna iedere winter terugkerend verschijnsel in dit gebied. Net als de voortdurende kibbelpartijen over wie de kosten van de dijkophogingen moest betalen.

De samenwerking tussen de polderdistricten Rijk van Nijmegen en Maas en Waal verliep ook moeilijk. In het westelijk deel van Maas en Waal werkte men namelijk niet mee aan de komst van een grote centrale wetering, die nog meer water naar het gebied zou brengen.  
Als er in Tweestromenland genoeg geld was geweest, was er misschien al veel eerder een goed weteringen- en dijkensysteem gekomen. Maar dat was er niet: de kleine boeren leefden er tot in de 19e eeuw nog in plaggenhutten. Ze konden niet veel meer dan klagen, over het steeds maar weer wassende water uit het oosten.
Soms bleef West Maas en Waal zelfs in de zomer nog onder water staan. Dan spoelden de huizen weg en mislukten de oogsten. Zelfs in de 19e eeuw nog was het gebied een tijd lang grotendeels ontvolkt na een hongersnood.
Pas in 1911 kwam er een einde aan de ellende met de komst van een aantal stoomgemalen. Commissaris van de Koningin Citters zette zich persoonlijk in voor het verbeteren van het lot van het Land van Maas en Waal.
Na de watersnood van 1926 werden de dijken sterk verbeterd. Maar pas met de aanleg van het laatste stukje van de Oude Wetering naar Dreumel in de jaren vijftig, liep alles precies zoals de Graaf het in 1321 bedoeld had. Vanaf toen bleef heel Maas en Waal 's winters droog.

De inventaris van het archief van de Gecombineerde Waterlossing, 1630-1944, en de daarin beschreven archieven van het Polderdistrict zijn te vinden in het Nijmeegse Gemeentearchief.