Geschiedenis waterbeheersing in het Land van Maas en Waal

 Graaf Reinald IIGraaf Reinald II

Het realiseren van plannen voor betere waterbeheersing duurt vaak lang. Soms duurt het zelfs 625 jaar om een plan uit te voeren. Zoals het middeleeuwse plan van graaf Reinald van Gelre om het Land van Maas en Waal droog te houden. Zijn ideeën uit 1321 werden pas in 1955 werkelijkheid. Het zo lang uitblijven van noodzakelijke verbeteringen is natuurlijk niet zonder gevolgen.

Het Land van Maas en Waal spreekt tot de verbeelding. Niet eens zozeer vanwege het liedje van Boudewijn de Groot met dezelfde titel, maar vooral ook door de schoonheid van het typisch Hollandse rivierenlandschap. Toch is het Land van Maas en Waal lange tijd een van de armste regio’s van ons land. Dat heeft alles te maken met de strijd die hier niet zozeer tégen maar vooral óver het water is gevoerd.

Het water is hier mooi, maar ook een probleem. In de middeleeuwen heeft de bevolking al regelmatig last van de buiten hun oevers tredende rivieren. Graaf Reinald van Gelre ziet dat ook en wil daar in 1321 al graag wat aan doen. Zijn motto: om het gebied in cultuur te brengen is het nodig om het water te beheersen. Hij weet ook hoe: door het sluiten van de dijkring, het doortrekken van de Oude Wetering, het maken van sluizen voor uitwatering en het plaatsen van schutlakens met sluizen tussen de hogere en lagere gebieden.

Een prima plan natuurlijk. Maar om dit daadwerkelijk te kunnen uitvoeren moeten de twintig dorpspolders in het gebied het wel met elkaar eens worden.

Dat gaat niet zomaar. Sterker nog, het archief van Waterschap Rivierenland bestaat voor minstens 25 meter uit stukken die handelen over de vele ruzies tussen de beneden- en bovenpolders. De benedenpolders willen namelijk helemaal niets met het water van de bovenpolders te maken hebben. Dat is hun zaak niet. Dus bouwen ze kades en dwarsdijken om het water van hoger gelegen gebieden tegen te houden. De bovenpolders op hun beurt vinden dat ze het daar beneden zelf maar moeten uitzoeken hoe ze droog blijven. Hun gemalen zijn alleen bedoeld om het eigen gebied droog te houden. Niet dat van de benedenburen.

 

Voor de bemalingVoor de bemaling

De totale afwezigheid van samenwerking blijft natuurlijk niet zonder gevolgen. Het land overstroomt regelmatig. Alleen al tussen 1700 en 1926 zijn er 26 dijkdoorbraken, die vooral veroorzaakt zijn door gebrekkig onderhoud. Dat heeft ook gevolgen voor de economische positie van het gebied. Het Land van Maas en Waal wordt maar al te vaak geteisterd door mislukte oogsten. Armoede is hier aan de orde van de dag. Grondprijzen dalen ten gevolge van de regelmatige overstromingen. En hoewel het aantal doden bij de dijkdoorbraken niet spectaculair groot is, laten bij iedere overstroming wel een aantal mensen het leven. Die zijn dan met huis en al weggespoeld, of omgekomen door kou en ontbering. Het gebied blijft door alle waterproblematiek ook lange tijd geïsoleerd van de rest van het land. Meegaan in de vaart der volkeren gaat blijkbaar niet zo goed als je de voeten niet droog kunt houden.

 

Iets beter

 

Pas 539 jaar na de dijkbrief van graaf Reinald gaat het iets beter met het Land van Maas en Waal. Rijkswaterstaat, dat dan net is opgericht, gaat zich bemoeien met het gebied. De rivieren worden verdiept en gekribd. Dat is niet alleen goed voor de handel en het transport over het water, maar ook voor de droge voeten van de inwoners.


Écht goed komt het in 1955. Dan wordt namelijk alsnog het plan van Reinald uitgevoerd. De dijkring wordt gesloten en er komt één groot gemaal voor het hele gebied. Exact zoals hij het had bedoeld. De graaf had duidelijk een ver vooruitziende blik.

Dat het middeleeuwse plan in de wederopbouwjaren toch nog kan worden uitgevoerd - beter laat dan nooit - komt mede doordat het gebied Marshallhulp krijgt. En de provincie besluit dat de ruziënde dorpspolders moeten opgaan in één waterschap Maas en Waal. Ook dat gaat niet zonder slag of stoot, want velen vrezen dat het nieuwe waterschap niet is toegerust voor het uitvoeren van ‘lokale’ taken. Toch wel. Beter dan de afzonderlijke polders in ieder geval. Want vanaf de jaren vijftig is het water weg.

Dat de ruzies niet goed zijn geweest voor het gebied moge duidelijk zijn. Toch hebben die vervelende meningsverschillen wel mooie cultuurschatten opgeleverd. Hier struikel je bijna over historische relicten die herinneren aan de strijd tegen het water, zoals diverse gedenkzuilen op de rivierdijken. Gebouwd ter herinnering aan de talloze dijkdoorbraken. En in welk gebied vind je op één sluis drie gemalen? Alleen in het Land van Maas en Waal. 

 

Dijkdoorbraken 1720-1850Dijkdoorbraken 1720-1850

 

De vele dijkmagazijnen in het gebied - er zijn er nog elf over - herinneren ook aan de waterproblematiek. Als de dijken zo vaak doorbreken, is het wel handig om ter plekke materieel te hebben om ergere schade te voorkomen. Vooral in een tijd waarin transport nog met paard en wagen plaatsvindt. De huisjes waarin dit materiaal werd opgeslagen, zogenaamde dijkmagazijnen, zijn trouwens regelrecht architectonische parels: karakteristieke gebouwen van twee verdiepingen met een puntdak en aan weerszijden droogspleten om de boel te ventileren.

Van de oude functie van die relicten is trouwens niet veel meer over. Modern transport maakte de vele dijkmagazijnen overbodig. En met het bouwen van het gemaal Quarles van Ufford te Moordhuizen (Alphen) in 1955 verliezen ook de zeven gemalen in het gebied hun functie.

Eén gemaal echter heeft het nog tot 1967 volgehouden om uit het stroomgebied van de Nieuwe Wetering (groot 10.000 ha) 440 m³ water per minuut te verpompen. Dat stoomgemaal, De Tuut genaamd, is het enige gemaal van de 34 die er ooit in het Gelders Rivierengebied hebben gestaan en waarvan de installatie, inclusief sluizen, nog geheel aanwezig is.

Het robuuste gebouw is inmiddels in oude glorie hersteld en dat is maar goed ook. Hier kan men zich een beeld vormen van hoe er vroeger werd gewerkt, door gespierde mannen die tonnen steenkool verschepten en een machinist die een canapé in de machinekamer had staan, omdat hij 24 uur per dag paraat moest ziin om de machines te laten werken.

Het gebouw met zijn ketelhuis, machinekamer en kolenloods, daterend uit 1917, is een van de laatste stoomgemalen die in Nederland werden gebouwd.

Daarvoor gebeurde het droogmalen soms met windmolens, wat vaak niet het gewenste resultaat had. Twee van de windmolens in dit gebied werden omgebouwd tot korenmolen: de Beatrix molen in Winssen en de St. Annamolen in Nijmegen. Door de stoomtechniek, die in 1846 in het Land van Maas en Waal werd geïntroduceerd, waren deze molens overbodig geworden.

Zo werden stoomgemalen betrouwbare bondgenoten in de strijd tegen het water van de rivieren. Toen De Tuut werd gebouwd, was er al elektriciteit, maar door de gebrekkige infrastructuur was het vrijwel onmogelijk om het gemaal op de elektriciteitscentrale in Nijmegen aan te sluiten.

Het gemaal heeft bijna vijftig jaar trouwe dienst gedaan tot 1967. De installatie werd tussen water en vuur in bedrijf gehouden met - per etmaal - twaalf tot veertien ton steenkool, die nodig waren om de ketels te stoken.

In 1967 nam het nabijgelegen gemaal Bloemers, met een drietal dieselmotoren voor de aandrijving van de pompen, de taak van het stoomgemaal over.

De periode van 1967 tot 1985 was een periode van verval en speculatie over de toekomst van dit complex.

De toenmalige gemeente Appeltern heeft enkele malen naar het bestuur van het Polderdistrict Groot Maas en Waal geschreven met de vraag wanneer het oude gemaal kon worden gesloopt.

Het moge duidelijk zijn dat men in de jaren zeventig nog weinig oog had voor het behoud van industrieel erfgoed.

Het Polderbestuur dacht het gemaal met zijn tienduizenden kilo's ijzer en staal voor de schrotprijs te kunnen slopen, maar de prijs van oud ijzer was kennelijk niet hoog genoeg en aan sloop werd niet meer gedacht. Inmiddels waren er van de circa 800 stoomgemalen in Nederland met een werkende installatie nog maar acht over. Zij konden worden beschouwd als een industrieel monument van nationaal belang. Stoomgemaal De Tuut werd - gelukkig - op de lijst van beschermde monumenten geplaatst.

 

Huidige situatieHuidige situatie

 

In 1984 werd Stichting Baet en Borgh opgericht met als doel onrendabele monumenten in het gebied te behouden. De restauratie van het gemaal is met horten en stoten gegaan, de financiën waren voortdurend een probleem. Het ziet er naar uit dat de restauratie in 2013 zal worden afgerond, waarna de gehele installatie in bedrijf gesteld kan worden.

De drie in één blok ingemetselde stoomketels met rookgaskanalen voor extra warmteafgifte en met bijbehorende oververhitters zijn uniek in Nederland. Het is een voorbeeld van een middelgroot ketelhuis, zoals er zoveel hebben gestaan in het stoomtijdperk dat achter ons ligt. 

Het gemaal wordt nog steeds gekoesterd door een kleine 40 vrijwilligers die 5 à 6 weekenden per jaar de machines in werking zetten om te laten zien hoe men destijds droge voeten kon houden door  stoombemaling toe te passen. Elk jaar worden er duizenden uren gewerkt, zowel voor restauratie, educatie als instandhouding.

Gelukkig maar, want het landschap dat Hendrik Marsman in 1936 zo treffend beschreef' "met zijn brede rivieren die traag door oneindig laagland gaan" zou niet compleet zijn zonder het gemaal, dat jarenlang de stem van het water met zijn eeuwige rampen tot zwijgen deed komen.