Stoomtijd: herinnering aan armoede

 

In dit verhaal vertelt Leo Greep, zoon van een machinist op een stoomgemaal, over het leven op een stoomgemaal gedurende de Tweede Wereldoorlog. Het is een sterk persoonlijk verhaal geworden met enkele bijzondere anekdotes.

 

 

Leo Greep werkte jarenlang  als technisch commercieel medewerker bij Philips en woont nu in Brabant. Maar zijn jeugd speelde zich af in het Land van Maas en Waal, om precies te zijn op het Stoomgemaal Maasbommel. Zowel zijn vader als zijn broer waren daar machinist. Herinneringen aan de stoomtijd, herinneringen aan de armoede, Leo Greep heeft ze volop.
Vader Johan C. Greep was afkomstig uit Den Haag en werkte bij de marine, totdat hij een ongeluk kreeg aan zijn hand. Op Johan GreepJohan Greepzoek naar ander werk kwam hij, via het gemaal van Acquoy, in 1919 bij een groter stoomgemaal terecht: dat van Maasbommel. Daar zou hij tot 1945/1946 werken. In 1946 ging het gemaal definitief dicht en verhuisde het gezin naar Gemaal De Blauwe Sluis in Appeltern.
Leo Greep denkt terug aan die moeilijke tijd: "Toen mijn ouders in Maasbommel kwamen, hadden ze al drie kinderen. Maar waar kon je in Maas en Waal in de jaren 1920-'30 je kinderen in godsnaam iets laten leren? In die tijd waren er geen mooie pontverbindingen, alleen bar slechte wegen. Een fiets was een unicum. Ondanks het lage inkomen van een machinist hoorden wij toch bij de zogenaamd goedbedeelden. Mijn broer Piet kreeg een fiets met van die grote blokken op de trappers en daarmee hobbelde hij over de zandweg naar Wamel. Daar was nog een redelijke pont waarmee je naar Tiel kon varen.

 

Acht stoomgemalen

 

Voor de Tweede Wereldoorlog draaiden er acht stoomgemalen in het Land van Maas en Waal. Er zijn er nog maar twee overgebleven: het dieselgemaal in Appeltern (nu elektrisch) en het elektrische gemaal in Alphen. Die twee hebben overigens een grotere capaciteit dan die de acht vroeger samen hadden.
Leo Greep: "Bij de Schans in Alphen stonden drie stoomgemalen vlak bij elkaar. Een is nu cafetaria Het Anker, het tweede is een ruïne en het derde staat op de kruising van de Dijkgraaf de Leeuwweg en de Nieuweweg." In dat Gemaal Maasbommel onder stoomGemaal Maasbommel onder stoomlaatste gemaal aan de Nieuweweg woonde het gezin Greep, daar is Leo geboren en getogen. Dat stoomgemaal dateert uit 1867. De installatie werd in 1911 vervangen. Het oude ketelhuis en de machinekamer staan er nog, maar de schoorsteen is in 1948 gesloopt door de broeders Hensen.
Leo herinnert het zich nog precies: "Onderin werden met de beitel gaten gekapt, daar werd hout in geslagen, dat werd met petroleum overgoten en vervolgens ging de brand erin. Toen ging de schoorsteen kantelen."
De ketel werd direct na de oorlog gevorderd voor het algemeen belang en door de firma Stoop uit Breda afgevoerd naar Vlijmen.
Piet Greep, de oudere broer van Leo, volgde in Tiel de ambachtsschool en zou later via een schriftelijke cursus bij PBNA machinist worden, net als zijn vader. Piet werkte tot de oorlog als tekenaar bij het Ministerie van Oorlog. De Duitsers wilden dat hij, zoals zoveel anderen, in Berlijn ging werken. Doordat vader Greep 'plotseling heel ziek' werd, moest Piet hulpmachinist worden. Daardoor kreeg hij een Ausweis, zodat hij niet in Duitsland tewerk werd gesteld.

 

Potten en pannen

Leo vertelt hoe zijn broer in de oorlog een baantje kreeg dat al gauw, letterlijk, een gat in de markt bleek te zijn. "Het was de gewoonte dat na de mis de mannen nog even voor de kerk bleven staan buurten. Op een gegeven moment komt boer Peters naar mijn broer toe en zegt: "Zeg Piet, kun jij niet eens komen kijken, want wij kunnen niet meer eten. Leo Greep in een bootjeLeo Greep in een bootjeDe pot is kapot, de lepels zijn kapot, alles is kapot."
"Nou", zegt Leo, "Piet ging met die boer mee, bekeek die gescheurde gietijzeren pot en nam hem mee naar huis. Met een handboor maakte hij er gaatjes in, kocht ergens roodkoperen klinknageltjes en legde er daarna een laagje vuurvaste chamotte-steen in. Daar ging weer een stuk plaatijzer op, goed aankloppen en klinken, en klaar. Daar deed hij wel een dag over, hoor. Later kwam die boer terug met lepels waar de gaten inzaten. Serieus, die waren van vader op zoon gebruikt, totdat ze finaal waren versleten. Mijn broer heeft ze dicht gesoldeerd. In een ommezien wist hij zich geen raad meer, zoveel werk kreeg hij. Kapotte emmers, wasteilen, weckketels, allerhande huishoudelijke dingen, niks was er immers te koop?"
Piet hoefde dan wel niet naar Duitsland, maar echt veilig was het op het stoomgemaal ook niet.
"In 1944 kregen we dagelijks vliegende bommen over ons heen. Sommige waren niet goed afgesteld en vielen omlaag. Regelmatig kwam er zo'n ding aan en hoorde je de motor niet meer, dan was het zjieuw - boem! Rond het stoomgemaal vielen er vier. Vergissingen. Maar op het gemaal zelf is gelukkig niks terechtgekomen."

 

Boerke uit Winssen

Ondanks de angst en pijn werd er in de oorlogsjaren ook gelachen. De faam van het zogeheten 'boerke uit Winssen' was tot ver in de streek en daarbuiten doorgedrongen. Hiervan herinnert Leo Greep zich een markante scène. Het boerke van WinssenHet boerke van Winssen"Mijn moeder kon niet lopen en dus moest het boerke bij ons thuis komen. Met een paard en wagen van Tedde van Lent uit Winssen, een soort hittenkarretje. Mijn moeder zat in de huiskamer, het boertje prevelde wat en toen werd ook mijn vader erbij geroepen. Hij moest en zou op  z'n knieën. Het boerke legde een hand op z'n kale bol en bad dat die hoofdpijn zou overgaan. De volgende morgen komt pa uit bed en zegt: "G.v.d. nou heb ik er nog kiespijn bij ook!" M'n moeder is overigens nooit van de reuma afgekomen.
Ze heeft geen prettig leven gehad op het stoomgemaal, want dat lag erg geïsoleerd. Bovendien kreeg ze elf kinderen, waarvan er drie vroeg zijn gestorven. Daarbij kwamen nog de angsten die in de oorlogsjaren moesten worden doorstaan. We hadden een onderduiker in huis en een clandestiene radio waarmee we elke dag naar de nieuwsberichten uit Engeland luisterden. Als er dan iemand aankwam, moest ik hollen of fluiten en dan werd dat ding snel weggemoffeld, want je kon niet weten."
Leo's zus Lies was in 1942 getrouwd met Piet de Leeuw. Die was officier geweest in het Nederlandse leger en werd alsnog als krijgsgevangene naar Duitsland gestuurd en daarna naar Polen. "Lies heeft een enorm angstige tijd meegemaakt", vertelt Leo, "want ze hoorde soms maanden niets van hem, vanwege de slechte communicatie en de Duitse censuur. En ze hadden inmiddels een kind dat ook bij ons was. Dat was nummer elf. De onderduiker was nummer twaalf. En later zijn er ook nog wat evacués uit Wamel en Leeuwen bijgekomen. Er werd in die tijd tweemaal per dag gekookt, want in een keer lukte het niet."