Herinneringen aan de stokers

 

In dit verhaal vertelt Leo Greep, zoon van een machinist, hoe de stokers in het dagelijks leven met de ketels omgingen.

Het verhaal speelt rond 1940 toen er nog acht gemalen in het Land van Maas en Waal stonden. Het gaat over de armoede en de toenmalige primitieve arbeidsomstandigheden.

 

 

 

 

Al woont hij ver van zijn geboortestreek, toch blijft Leo Greep van het gemaal aan de Maasbommelse Nieuweweg betrokken bij het oude stoomwereldje. Zo volgt hij de restauratie van Stoomgemaal De Tuut in Appeltern met De herbouw van de schoorsteen is halverwegeDe herbouw van de schoorsteen is halverwegebelangstelling.  Vooral de herbouw van de schoorsteen vond hij iets unieks. Vroeger werd een schoorsteen vanuit de binnenkant van de pijp gebouwd en werd er gemetseld met een driepoot. Daarmee haalde men van binnenuit telkens de stenen omhoog. De wanden waren heel dik.  Bij De Tuut is echter een stalen binnenpijp geplaatst, waardoor dikke muren niet nodig waren. "Bij Stoomgemaal De Blauwe Sluis, tegenwoordig  dancing De Stoep, heb ik gezien hoe de schoorsteen van bovenaf werd gesloopt door een man die met een hamer de stenen onder zijn voeten vandaan sloeg, heel eng."

 

Problemen met de was

"Als er vroeger gestookt werd, kon je de was beter niet buiten hangen. En als de wind per ongeluk uit het noorden kwam, hadden de huizen die 500 meter verderop stonden, ook problemen met het wasgoed. Onze schoorsteen was 25 meter hoog en bovenop stond een bliksemafleider. Daar was op een keer iets mee, en toen is mijn broer, dat heb ik zelf gezien, naar boven geklommen en liep hij over de rand heen. Hij had geen hoogtevrees. De stokers die bij ons werkten, zagen er altijd pikzwart uit. We hadden geen douches, maar er was wel warm water. Dat maakten we met stoom. Aan het rechter peilglas van de ketel zat een hogedrukslang van metaal met een houten handvat. Dan zette je een emmer water op de grond, je hing dat ding erin, zette de kraan open en dan werd die hete stoom van over de honderd graden in die emmer geblazen. Dat borrelde en borrelde, en op een gegeven moment had je heet water. Dan kon je je wassen met groene zeep en je afdrogen met zo'n blauw geruite handdoek.
Leo GreepLeo GreepMijn vader zag er soms ook vreselijk uit, als hij met het onderhoud van de machine en met olie en vet bezig was geweest. Toch viel het stoken op zich nog wel mee, daar werd je niet direct vuil van. Het was vooral dat gesleep met kolen. Wanneer je voor de vuurmond staat, gebruik je een rechthoekige schop met zo'n hartvormig handvat. Daarmee gooi je de vuurmond open, want die is zo heet, dat je hem niet met de hand kan aanpakken, behalve als je dat met een dot poetskatoen doet. En kolen in de ketel scheppen valt qua viezigheid ook best mee. Maar als je in de kolenloods, waar de kolen een paar meter hoog liggen opgestapeld, staat te scheppen dan donderen ze vaak onverwacht met een rotgang naar beneden en komt er een hoop stof en vuil mee. Dat krijg je in je neus en in je keel en overal. Dan moet je die soms onbehouwen grote kolenbonken ook nog eens met een hamer kapot slaan. 
Maar het ergste was de stoomketel schoonmaken", vertelt Greep. Hij beschrijft: "Eerst wordt het vuur in de ketel aangestoken en het water opgewarmd tot het meer dan 100 graden heet is. De temperatuur loopt op en de druk gaat omhoog. Dan wordt het vuur getrokken en gedoofd. Vervolgens wordt de spui-afsluiter die onder de ketel zit, opengedraaid en het water dat onder stoomdruk staat, vliegt er dan met kracht uit. Door een leiding gaat het naar de naastgelegen wetering. Daarin komt dan het meest smerige, roodbruine water dat je maar kunt bedenken. Want in die ketel zit na zoveel jaar een dikke laag drab van ketelsteen. Dat wordt eruit geblazen. Uiteindelijk komt er alleen nog water en stoom uit, en dan is het bekeken. De gloeiend hete ketel laat je vervolgens lekker opdrogen."
Bovenin de ketel zit een mangat met daarop een loodzwaar deksel dat met bouten/moeren  en pakking vastzit. Destijds werd alles nog met asbest afgedicht. En die asbest pakkingen moesten af en toe worden vervangen. "Die mannen lieten zich in hun lange overalls dan door het mangat zakken. Omdat er geen elektriciteit was, hadden ze een plankje waarin drie spijkers geslagen waren en daar paste precies een kaars tussen. Dat namen ze mee de ketel in om wat licht te hebben tijdens het schoonbikken. Dat gebeurde met een hamertje en daarna werd er met een staalborstel overheen geschuurd. En maar bikken. Dan is zo'n ketel groot hoor. Met twee of drie man waren ze daar een hele week mee bezig. En al die rotzooi viel naar onderen. Maar ja, beneden moest het ook schoon zijn en daar was het vaak nog wat nattig. Dan moest je die drab in emmers scheppen en via het mangat naar buiten tillen. Dan ging alles naar de schreuthoop, waar ook de as en de sintels terecht kwamen."

 

Grote zeef

Tijdens het stoken werd het vuurbed een paar keer per dag door de stokers schoongemaakt. Hoe vaak dat gebeurde was afhankelijk van de kwaliteit van de kolen. "Wij hadden een houten kruiwagen. Daarmee werd dat spul naar de ashoop gebracht. Daar zat altijd nog fijne cokes in. Dan kwamen er vrouwen uit het dorp, en ook wel andere mensen, en die vroegen of ze de schreuthoop mochten schoonmaken. Ze hadden een grote zeef bij zich. Dan werden alle sintels eruit gegooid, waarna ze die hele kleine stukjes cokes overhielden. Die namen ze in een zak op de fiets of in een aanhangwagentje mee naar huis om als brandstof te gebruiken. Met de sintels werden de wallen verhard. Dat was nodig omdat de sporen daarin steeds dieper werden door de vele karren met steenkool die er elk jaar overheen reden."

 

Miekes paal

Greep herinnert zich dat die kolen veelal aan de Maaswal arriveerden, of in de uitvliet bij het Leeuwens Gemaal van machinist Strijbosch. Daar werden ze op een kar geladen, waarmee ze de wal op werden gebracht. Dat ging langs de huidige ruïne, het voormalige Rijksche Stoomgemaal, langs de huizen en langs het café van Savelkouls dat er nog steeds staat. 
"Veel mensen hadden nog geen nagels om hun kont te krabben. Nou lagen die huizen iets lager dan de weg, en daar tussenin liep een schuine, betonnen versteviging. Zo'n boer liep met het paard mee, terwijl hij het vasthield aan de halster, want de wegen op die dijken waren erbarmelijk.  En dan stond Mieke, de vrouw van Janus van der Voort, achter het huis te wachten met een grote dikke paal. En als de kar voorbijkwam, gooide ze gauw die paal voor de wielen. Door z'n snelheid - baf! baf! - ging die wagen er overheen en donderde er een zooi kolen af. Die boer begreep dat verrekte goed, die reed gewoon door met zijn kar. Dat was een spel. Wat er afviel, mocht je oprapen."