Herinneringen van een vrijwilliger van het eerste uur

Toon Hoogveld was in 1984 koud gepensioneerd of hij meldde zich aan bij de monumentenstichting Baet en Borgh. Het Stoomgemaal De Tuut in Appeltern helpen opknappen, dat was wat hij wilde. En dat sloot mooi aan bij zijn oude beroep, want hij was 30 jaar lang leraar werktuigbouwkunde geweest aan de lts in Druten. "Als jochie zat ik in Nijmegen op school", mijmert Hoogveld "en dan keek ik vanuit de bovenzaal op het spoor waar de stoomlocomotieven voorbij tjoekten. Ketels 1986 met vrijwilligersKetels 1986 met vrijwilligersIn de oorlog waren de treinen nog kolengestookt, en die walm kon je binnen ruiken. Misschien wilde ik die nostalgische lucht in Appeltern wel terugvinden." Hoe begon het avontuur? In 1984 reageerde Hoogveld op een advertentie, samen met 35 anderen. Allemaal wilden ze het stoomgemaal opknappen. Maar na enkele contacten haakten er steeds meer af. Menigeen zag op tegen het vele werk en kon zich niet meer motiveren. Hoogveld: "verscheidene keren zagen we het zelf ook niet meer zitten. Uiteindelijk bleven er een stuk of vijf over, allemaal technische mensen, onder wie Hans Borgers en Alex Verhulst, die de zaak hebben gedragen. Maar de harde kern werd gevormd door de overige drie." Hoogveld heeft het dan over het driemanschap dat een vriendenclub zou worden: Jaap Garsijn, George Crop en hijzelf.

Bromfietsen

Volgens de oud-docent kwamen de vrijwilligers aanvankelijk niet aan hun favoriete werk toe. "De meesten knutselden graag aan bromfietsen en dachten: dit is hetzelfde, alleen een beetje groter. Maar dat viel tegen, want in die eerste jaren Voordeur in 1984Voordeur in 1984moest de ergste rommel worden opgeruimd en dat was allemaal smerig werk. De duiven eruit, ketels schoonmaken, vliegas eruit, ramen erin, machines invetten, leidingen demonteren enzovoorts. Het hele zaakje had een jaar of vijftien stil gelegen, sinds omstreeks 1967. Gelukkig had iemand het ketelhuis jarenlang gebruikt als reparatiewerkplaats. Daardoor is het niet vervallen geraakt. Alles wat er in het gemaal thuishoorde was er dus nog wel." Hoogveld mijmert verder: "We brachten onze eigen koffie mee, onze eigen overalls - ik heb er twee versleten - en van de sponsors kregen we een helm, schoenen en gasmaskers. Krabbers en terpentijn brachten we allemaal zelf mee. We moesten vechten om voor een paar tientjes een bus verf te mogen kopen. En dat vonden we dus niet zo leuk." Hoogveld glimlacht als hij aan die tijd terugdenkt. De compleet verrotte ramen uit het machinegebouw heb ik stuk voor stuk op mijn imperiaal mee naar huis genomen en hier in de garage opgeknapt. Maar toen er eens een rekening moest worden betaald voor materiaal, bleek daar geen geld voor te zijn." Waarom doet iemand van dat liefdewerk-oud papier? Welke drijfveren heb je dan? Hoogveld hoeft niet na te denken. "Dat is een soort virus. Je vind het leuk. Dat was al zo toen ik een klein jongetje was en voor het eerst zo'n machine zag. Ik geloof dat mannen altijd kleine jongetjes blijven. Die willen altijd spelen. Vroeger had je dan zo'n stoommachientje poef-poef-poef en nou ga je voor zo'n bakbeest van een stoomgemaal staan en denk je: fantastisch!" Maar wat is daar in hemelsnaam mooi aan? "Ik vind alles mooi. Je kruipt bijvoorbeeld door zo'n nauw mangat de ketel in. Daarin kun je dan die kalkaanslag weghalen, een rotkarwei. Maar ondertussen denk je : ik zit toch maar mooi in de buik van een stoomketel." Eerst ging het driemanschap om de veertien dagen, daarna elke week op zaterdag naar het gemaal, zeven jaar lang, met af en toe een onderbreking als er weer eens geen materialen waren. "Na veel gepraat met het toenmalige bestuur kregen we de beschikking over een budget. Daarmee gingen we de kozijnen aanpakken. We hebben nieuw hout gekocht en lieten het schaafwerk doen door een bevriende relatie. Daarna hebben we ze, keurig teruggezet." Maar het betalen van de rekeningen leverde herhaaldelijk problemen op. "Als het zo moet, houden we op", zeiden we. Maar dat vreet aan je. Dus op een gegeven moment zijn we toch weer verder gegaan."

Rokende schoorsteen

Wat drijft een mens om door te gaan hoewel er telkens nieuwe obstakels opduiken? Waarom laat je zo'n bouwval niet gewoon in elkaar storten, vraag je je af. Toon Hoogveld: "Dat heeft te maken met het ideaal dat je voor ogen hebt: een Stormschade zijgevelStormschade zijgevelrokende schoorsteen. Dat is iets unieks: het enig overgebleven stoomgemaal van heel Maas en Waal. Je hebt iets om aan je kinderen en kleinkinderen te laten zien. Mijn kleinzoon is er ook geweest, en die vond het schitterend. Het is een stukje van vroeger. Je wordt zelf ouder en merkt dat alles vergaat. Straten waar ik vroeger in Nijmegen als jochie gelopen heb zijn weg. De school heeft plaats gemaakt voor een parkeergarage. Alles verdwijnt. En dan zeg je: er moet toch iets overblijven van vroeger. Waarom juist dit stoomgemaal? Omdat het techniek is, ik ben gek op techniek." In januari 1989 veroorzaakte wind veel schade aan het gemaal. Een heleboel pannen waren op de grond kapot gevallen. "Er lagen een hoop planken in de plomp. Die hebben we de volgende morgen zoveel mogelijk opgevist. Toen zijn we een paar weken lang elke avond naar de Tuut gegaan, om te redden wat er te redden viel. Het was nog bloedlink ook, want veel dakpannen stonden op scherp en konden elk moment naar beneden vallen."

Respect

Toon Hoogveld vindt het, ondanks alles, mooi dat de restauratie van het stoomgemaal zo goed is opgeschoten. Hij kijkt er naar uit dat De Tuut straks helemaal in zijn oude staat voor het publiek toegankelijk zal zijn. "Wat ik hoop is dat mensen respect krijgen voor de techniek. Tegenwoordig hebben we geavanceerde computers om allerlei processen te bewaken, Kolenloods in 1984Kolenloods in 1984maar vroeger was de techniek heel simpel, bijna primitief misschien, met een touwtje, een draadje, een veer of een gewicht. Toch werkte het allemaal, het werkte zelfs perfect. Terwijl het een hondenbaan was om stoker te zijn, want stel je voor: als de Tuut op volle kracht draaide, werd er per uur soms een halve ton steenkool doorheen gejaagd. Die kolen moesten allemaal met de hand worden geschept." Hoogveld vertelt waarom hij na zeven jaar met het vrijwilligerswerk stopte. "We waren in onderhandeling met een stukadoor die we voor een zacht prijsje konden inschakelen. Bovendien stonden de steigers er nog, die een jaar eerder door een sponsor waren geplaatst. Dat was natuurlijk mooi meegenomen. Maar tot onze teleurstelling kon het bestuur er geen geld voor vrijmaken, hoewel die steigers niet veel langer konden blijven staan. Toen het bestuur ons liet weten dat het niet anders kon, zijn we gestopt."

 

 

Terug naar de tijdtabel