Stichting Baet en Borgh

 


 

 

Situering van Den Blanckenburgh

 

Uit oude schriftelijke bronnen wordt duidelijk dat het kasteel­complex drie morgen groot is, het hoofdgebouw op een heuvel is gesitueerd, toegankelijk via een stenen trap en met een singel en gracht omgeven. De bouw van het kasteel is gestart omstreeks het jaar 1437; de bijgebouwen zijn later opgebouwd.

Op beide hoeken van het binnenterrein, los van het hoofdgebouw, stonden twee torentjes, opgebouwd in een vierkante vorm met een laag tentdak. Eén van deze torentjes is het nu bekende "torentje van Den Blanckenburgh",

In de onmiddellijke omgeving van het hoofdgebouw heeft een gebouw gestaan dat lager was dan het kasteel, want het was slechts één verdieping hoog. De toegangspoort of voorburcht is belangrijk geweest, want in alle beschrijvingen wordt deze ve­meld. Op de rest van het perceel waren de boomgaard en tuin aangelegd.

 

Bij het nagaan van de geschiedenis over Den Blanckenburgh ontstaan er vragen waarop moeilijk een antwoord is te geven zoals: in welke tijd is het kasteel ontmanteld en waarom deed het geen dienst als verdedigingsgebouw? Wat is de oorzaak geweest dat het kasteel in ernstig verval is geraakt?

 

Het is mogelijk dat het kasteel als zodanig heel weinig door een van de adellijke families bewoond is geweest: zij verbleven vaak elders. Het gevolg is dat de gebouwen vaak slecht werden onderhouden. De bezitters hadden meer interesse in de opbrengsten van het leen dan dat zij zich druk maakten over het onderhoud. Het gevolg van deze tekortkomingen is dat er verval ontstaat, dat telkens groter wordt. Ook moet hierbij bedachtPentekening 1732. Links op de achtergrond het huidige torentje.Pentekening 1732. Links op de achtergrond het huidige torentje. worden dat in de periode van 1620-1640 de belastingdruk groter is geworden; de kasteelheer ve­armde en geld voor onderhoud was er niet. Dit sluit aan bij het feit dat juist in die periode Otto II van Wijhe het kasteel bezat.

Een pentekening uit 1732 van C. Pronk laat de vervallen toestand zien. Vergelijk de afbeelding van de toren met die van de kerk van C. Pronk. De werken van Cornelis Pronk, evenals die van Jan de Beijer, Abraham de Haen en Paulus van Liender, staan bekend om hun nauwkeurigheid en betrouwbaarheid. Wij mogen er vanuit gaan dat de afgebeelde situatie uit 1732 zeer betrouwbaar is.

 

In het midden van de 18e eeuw is een zeer noodzakelijke opknapbeurt uitgevoerd, omdat het kasteel als woonruimte gaat dienen voor een rentmeester van de familie.

Bij de leenoverdracht in 1597 en in 1774 is alles zeer nauwkeurig omschreven; er ontstaat dan een beter inzicht in de toestand van het gehele complex van zowel het kasteel als van de rechten en het overige bezit.

 

Er is ook een vraag te stellen bij de overdracht in 1774: Waarom geeft een rijke zichzelf respecterende familie, zoals de familie van Wassenaar van Wijhe toch was, het Beuningse goed in leen (verkoop) aan een eenvoudige familie?

Wanneer we verder kijken wordt het duidelijk: in die periode van de 18e eeuw waren in het vorstendom Gelre en in het graafschap Zutphen geen leenmannen bereid Beuningen in leen te nemen. Er moest flink wat geld bij. Dit verklaart de vervallen toestand van het kasteel en de overdracht in 1774 aan een eenvoudige leenman.

Deze laatste leenovereenkomst is van kracht gebleven tot aan haar de­finitieve opheffing in 1798/1805.