Stichting Baet en Borgh

 


 

 

De Monumentenstichting "Baet en Borgh".

 Noordzijde 1994. De kettingsleuven naast de deur waren voor de bediening van de ophaalbrugNoordzijde 1994. De kettingsleuven naast de deur waren voor de bediening van de ophaalbrug

De Monumentenstichting Baet en Borgh heeft met medewerking van de heer P. Claassen en de gemeente Beuningen op 19 december 1985 de verwerving -in eeuwigdurende erfpacht- van de toren met daarbij 300m2 grond verkregen. Met deze verwerving is er voor de toren een goede toekomst gegarandeerd.

Het destijds zeer sterk vervallen torentje moest grondig een grote restauratie ondergaan om het voor de ondergang te behoeden. Hiervoor was een bedrag begroot van f 120.000,-. In september 1987 besloot het College van B.& W. om f 30.000,- beschikbaar te stellen. Het Rijk verleende een subsidie van f 67.000,- en de provincie Gelderland f 23.000,-. 

Het begrotingsbedrag was aanwezig, en dat was voor Baet en Borgh een reden om de vlag uit te steken.

Bij deze toegezegde subsidiegelden heeft op 24 april 1975 de heer C. van Blanckenburgh uit Beuningen, gezien zijn originele familienaam, kenbaar gemaakt het project financieel te willen steunen.

Nadien is zeer spoedig met de restauratiewerken gestart en reeds in april 1988 is het dak van de toren vernieuwd en voorzien van nieuwe leien.

Nadat het gehele restauratieplan was uitgevoerd heeft mevrouw N.H. van den Broek-Laman Trip, gedeputeerde voor cultuur van de provincie Gelderland, op vrijdag 26 augustus 1988 de opening verricht van de toren. "De opening van een heel klein monument kan een hele grote stap voorwaarts zijn in de toekomst voor het behouden van monumenten in het Land van Maas en Waal", aldus de gedeputeerde in haar toe­spraak. 

De familie Claassen ontving bij deze gelegenheid een litho van het monument.

Het Torentje wordt sedert september 1988 verhuurd.

 

 

Hier staan enkele artikelen over het Torentje van den Blanckenburgh

 

 

 

 

 

 

Het torentje van het slot Blanckenburgh

 

Wat nog rest van het kasteel Den Blanckenburgh en haar middeleeuwse voorganger is het huidige torentje.

De toren is ten opzichte van kasteel Blanckenburgh in zuidwestelijke richting opgebouwd, ten opzichte van het middeleeuwse kasteel in noordelijke richting. De "toren" staat op de kadasterkaart van 1832 en 1867 ingetekend buiten het perceel nr. 80: dit doet veronderstellen dat het niet direct tot het kasteel Blanckenburgh heeft behoord maar bij zijn voorganger.

De muren van de toren zijn 82 cm. dik, de omvang is 4 bij 4 meter en de hoogte is 12 meter. Als bouwmateriaal zijn bakstenen gebruikt.

Aan de noordzijde bij de huidige ingang, die bij een uitgevoerde verbouwing is aangepast, zijn de aanzetten van een ophaalbrug nog aanwezig. Als de toren na 1437 is opgebouwd dan kwam de ophaalbrug aan de binnenzijde van het complex, en zou als zodanig geen dienst doen. Is de toren opgebouwd vóór 1437, toen het kasteel ten zuiden van de toren was gesitueerd' dan is de ophaalbrug aan de noordzijde verklaarbaar, en was toen functioneel. De toren moet dus ouder zijn.

Het blijkt dat de doorgang in de zuidgevel is dichtgemaakt, en in de noordgevel is een deur aangebracht; niet bekend is wanneer deze veranderingen zijn uitgevoerd.

Direct onder de daklijst zijn de tandlijst - z.g. muizentand- en de schietgaten nog zichtbaar. Het dak heeft in het verleden een dekking gehad van dakpannen, leien en riet, en nu weer leien. De schoorsteen wordt bekroond met een windvaan; dit het kan een oud exemplaar zijn van de gesloopte toren, of een nieuw exemplaar naar oud model.

Torentje voor  1988 Links oostzijde, rechts noordzijdeTorentje voor 1988 Links oostzijde, rechts noordzijdeDe toren fungeerde als een doorloop voor eigen personeel, en was bereikbaar met enkele opstaptreden.

De oorspronkelijke ingang bevond zich in de oostgevel waar nu een raam is aangebracht en was vanaf de binnenplaats via een trap en bordes bereikbaar. Dit bevestigt nogmaals dat de toren bij het middeleeuwse kasteel heeft behoord.

Als er een weergang is geweest, wat betwijfeld wordt, dan moet die van hout zijn gemaakt. Er

zijn geen sporen van metselwerk aangetroffen dan alleen de muur­aanzetten tegen de zuid- en oostgevel tot een hoogte van twee meter, die te zwak zijn als verdedigingsmuur.

Inwendig heeft de toren twee verdiepingen met zolder en kelder. De doorloop (begane grond) heeft een stenen kruisgewelf en de vloer is het tongewelf van het stenen kelderplafond, bestaande uit kleine plavuizen. In deze ruimte stond vroeger de handbediening opgesteld voor de ophaalbrug aan de noordzijde. De grote toegangsdeur draaide naar binnen open; de twee metalen muurduimen zijn nog aanwezig aan de oostkant. Als gevolg van het dichtstorten van de gracht lijkt de toren kleiner.

De kelder ligt gedeeltelijk in de grond. Dit is aan de buitenzijde waarneembaar door een ventilatierooster. De kelder was bereikbaar via een zeer kleine opening in de vloer via de doorloop en een ladder. Nu is de openingstoegang groter en staat er een draaitrap. De oostelijke binnenmuur is daar een steendikte smaller gelaten.

De noordelijke keldermuur heeft aan de binnenzijde een uitsparing die doet veronderstellen, dat vanaf de binnenplaats van Den Blanckenburgh een toegang was van ongeveer een meter breed, die werd afgesloten met een luik (geen deur). Een voorlopig plan van de gemeente Beuningen om opgravingen te laten uitvoeren in de omgeving van de toren en het voormalige kasteel, hopelijk tot op een diepte van 4 meter, kan t.z.t. vele vragen beantwoorden betreffende Den Blanckenburgh, de toren en het middeleeuwse kasteel.

Met de aankoop van de boerderij in 1951 door de heer P.H.M. Claassen, komt ook de toren in zijn bezit.

De redactie van het tijdschrift Tweestromenland nr.20 schrijft naar aanleiding van een artikel van de heer Antoon Claassen, zoon van P.H.M. Claassen: "Niet iedereen heeft op het land van zijn vader een torentje staan. Dat geluk is waarschijnlijk alleen beschoren aan Antoon Claassen met zijn broers en zusters in Beuningen",

In mei 1955 was eigenaar Claassen voornemens de toren te slopen, en verzocht hij de gemeente om een sloopvergunning. Het gevolg hiervan is geweest, dat het college van B. en W. op 14 oktober 1955 aan de Rijkscommissie voor Monumentenzorg in Den Haag het voornemen van de heer Claassen kenbaar maakte, en dat zij vragen om de toren te plaatsen op de voorlopige lijst der Nederlandse Monumenten.

Vanuit Den Haag wordt op 20 oktober medegedeeld dat de toren op de voorlopige lijst vermeld staat, en dat het aan de eigenaar verboden is hieraan wat te veranderen of te slopen.

Een dag later maakt de gemeente per aangetekend schrijven aan de heer Claassen kenbaar, dat het de eigenaar verboden is de toren te slopen, en verzoekt hem om van dit schrijven goede nota te willen nemen.

In de dan volgende twintig jaren heeft de heer Claassen een andere kijk op de zaak gekregen, want in 1974 gaat het behoud van de toren hem zeer ter harte. Hij is bereid een overdracht van de toren, met daar­bij een bepaalde oppervlakte grond, aan de gemeente te overwegen. Nu er voor de gemeente de mogelijkheid bestaat de toren in bezit te krijgen, richt zij in 1977 een verzoek tot de Technische Kringdienst te Nijmegen om zo spoedig mogelijk een bestekklaar plan voor volledige restauratie gereed te maken. Op 4 oktober 1978 komt het bestek met tekening klaar, de voorlopige begroting bedraagt f 119.000,-.

In mei 1979 had de gemeente nog interesse tot aankoop, maar in oktober 1979 trekt men zich terug. Nadien zijn beide partijen alsnog tot een overeenstemming gekomen, zodat na tien jaar van onderhandelen de gemeente in 1987 overgaat tot aankoop van boerderij en toren.

Dagblad De Gelderlander van 3 augustus 1989 vermeldt: "Het Beuningse College ziet het gebied rondom het torentje als dé entree van Beuningen en wil daar iets moois van maken".

Gezien de huidige realisering van het bouwplan "Centrumpark Den Blanckenburgh " kan het gehele project als geslaagd genoemd worden, en de toren weet zich nu weer omgeven door de nieuwe kasteelheren van Appeltern, van Egmond, Vijgh en van Wijhe.

 

 

 

 

Kaarten en plattegronden.

 

De kadasterkaart uit 1832 is de eerste kaart die zekerheid kan geven betreffende de plaatselijke situering, met daarop aansluitend de kadasterkaart uit 1866/67 en een kaart van de huidige situatie in 1994.

Zeer nauwkeurig ingetekend ontdekken wij het kasteel met zijn bijgebouwen. De gehele oppervlakte is ingedeeld in vijf percelen met de nummers 81 t/m 85 . Nummer 81 is Wilgenbosch, 82 boomgaard, 83 koepel, 84 tuin, 85 behuizing.

De behuizing bestond uit: toren, kasteel, en de twee bijgebouwen.

In het jaar 1863 heeft Alard Vermeulen de oorspronkelijke bijgebouwen gesloopt en op de vrijgekomen plaats een nieuwe boerderij gebouwd, die ten opzichte van de oude bebouwing iets meer naar het westen is opgetrokken en waarbij het achterhuis in westelijke richting is bijgedraaid. In de voorgevel is toen een steen geplaatst waarop het bouwjaar "1863" en de initialen en naam "M.G.A. Vermeulen" zijn aangebracht. De initialen staan voor Maria Clara Antonia, dochter van Alard, die op 12 augustus 1851 is geboren. Boven de achteringang is een sluitsteen aangebracht waarin staat aangegeven: le letter is onleesbaar, 2e letter is een "B", en daaronder het jaartal "1863". In de nieuwe boerderij van 1863 is nog de oorspronkelijke 16/17e eeuwse kelder aanwezig met graatgewelven. Alleen de twee bijgebouwen uit de 16/17e eeuw waren voorzien van een kelder.

 

Kadasterkaart 1832Kadasterkaart 1832

 

Op de kadasterkaart van 1866/67 staan ingetekend:

nr. 81 wilgenbos, 84 tuin, 288 toren en kasteel, 289 boerderij met aan­bouw, schuur en koepel, 290 bouwland.

Nummer 289 is de boerderij van 1863 .met oostelijk daaraan en evenwijdig opgebouwd een bij­gebouw dat in 1865 is gebouwd. Dit bijgebouw heeft boven de deur aan de achterzijde een sluitsteen waarin staat: "AVM 1865", misschien voor Alard Vermeulen.

Nummer 288 is het kasteel dat in 1867 of daarna is gesloopt om plaats te maken voor een schuur die naast het kasteel is gebouwd in "1868", aldus een inscriptie in de sluitsteen boven de deur. De schuur staat bijna in een lijn zuidelijk achter de aanbouw van 1865. De toren die zuidelijk naast het kasteel staat ingetekend is zeer waarschijnlijk gelijktijdig met het kasteel gesloopt. De plaats waar het kasteel heeft gestaan wordt nu gedeeltelijk door de Wilhelminalaan overdekt.

Omtrek en oppervlaktematen van het kasteel zijn niet bekend; om tot een vergelijk te komen moet de kadasterkaart van 1866/67 nader bestudeerd worden. Uit een vergelijk tussen alleen de boerderij uit 1863 en het kasteel blijkt dat het kasteel kleiner was dan het bedrijfsgedeelte - dus zonder woongedeelte - van de boerderij.

 

Bij de beschrijving in 1877, toen alles is overgedragen aan Jacobus W.M. Vermeulen, staan alle gebouwen en gronden vermeld: huis, erf, bakhuis. schuren, korenberg, torentje, (= de huidige toren) varkenskot, visvijver, tuin, boomgaard, bouwland, wilgenbos en koepel. De koepel is gesitueerd op perceel nr. 290 en wordt vaak voor het torentje aangezien. De kadastrale nummers zijn: 292 huis en erf, 291 boomgaard, 81 wilgenbos, 83 koepel. Voor de koepel is dat onjuist.


Kadasterkaart 1866-67Kadasterkaart 1866-67

 

De huidige kaart van 1994 geeft de situatie van de boerderij uit 1863, de aanbouw uit 1865 en de schuur (thans woning) uit 1868.

Ter verduidelijking is het torentje op de kaarten aangegeven als "toren".

Situatie 1994Situatie 1994


 

Situering van Den Blanckenburgh

 

Uit oude schriftelijke bronnen wordt duidelijk dat het kasteel­complex drie morgen groot is, het hoofdgebouw op een heuvel is gesitueerd, toegankelijk via een stenen trap en met een singel en gracht omgeven. De bouw van het kasteel is gestart omstreeks het jaar 1437; de bijgebouwen zijn later opgebouwd.

Op beide hoeken van het binnenterrein, los van het hoofdgebouw, stonden twee torentjes, opgebouwd in een vierkante vorm met een laag tentdak. Eén van deze torentjes is het nu bekende "torentje van Den Blanckenburgh",

In de onmiddellijke omgeving van het hoofdgebouw heeft een gebouw gestaan dat lager was dan het kasteel, want het was slechts één verdieping hoog. De toegangspoort of voorburcht is belangrijk geweest, want in alle beschrijvingen wordt deze ve­meld. Op de rest van het perceel waren de boomgaard en tuin aangelegd.

 

Bij het nagaan van de geschiedenis over Den Blanckenburgh ontstaan er vragen waarop moeilijk een antwoord is te geven zoals: in welke tijd is het kasteel ontmanteld en waarom deed het geen dienst als verdedigingsgebouw? Wat is de oorzaak geweest dat het kasteel in ernstig verval is geraakt?

 

Het is mogelijk dat het kasteel als zodanig heel weinig door een van de adellijke families bewoond is geweest: zij verbleven vaak elders. Het gevolg is dat de gebouwen vaak slecht werden onderhouden. De bezitters hadden meer interesse in de opbrengsten van het leen dan dat zij zich druk maakten over het onderhoud. Het gevolg van deze tekortkomingen is dat er verval ontstaat, dat telkens groter wordt. Ook moet hierbij bedachtPentekening 1732. Links op de achtergrond het huidige torentje.Pentekening 1732. Links op de achtergrond het huidige torentje. worden dat in de periode van 1620-1640 de belastingdruk groter is geworden; de kasteelheer ve­armde en geld voor onderhoud was er niet. Dit sluit aan bij het feit dat juist in die periode Otto II van Wijhe het kasteel bezat.

Een pentekening uit 1732 van C. Pronk laat de vervallen toestand zien. Vergelijk de afbeelding van de toren met die van de kerk van C. Pronk. De werken van Cornelis Pronk, evenals die van Jan de Beijer, Abraham de Haen en Paulus van Liender, staan bekend om hun nauwkeurigheid en betrouwbaarheid. Wij mogen er vanuit gaan dat de afgebeelde situatie uit 1732 zeer betrouwbaar is.

 

In het midden van de 18e eeuw is een zeer noodzakelijke opknapbeurt uitgevoerd, omdat het kasteel als woonruimte gaat dienen voor een rentmeester van de familie.

Bij de leenoverdracht in 1597 en in 1774 is alles zeer nauwkeurig omschreven; er ontstaat dan een beter inzicht in de toestand van het gehele complex van zowel het kasteel als van de rechten en het overige bezit.

 

Er is ook een vraag te stellen bij de overdracht in 1774: Waarom geeft een rijke zichzelf respecterende familie, zoals de familie van Wassenaar van Wijhe toch was, het Beuningse goed in leen (verkoop) aan een eenvoudige familie?

Wanneer we verder kijken wordt het duidelijk: in die periode van de 18e eeuw waren in het vorstendom Gelre en in het graafschap Zutphen geen leenmannen bereid Beuningen in leen te nemen. Er moest flink wat geld bij. Dit verklaart de vervallen toestand van het kasteel en de overdracht in 1774 aan een eenvoudige leenman.

Deze laatste leenovereenkomst is van kracht gebleven tot aan haar de­finitieve opheffing in 1798/1805.