Stichting Baet en Borgh

 


 

Ontwikkeling van de dijken in het Land van Maas en Waal.

 

Het gebied is ingeklemd tussen de rivier Waal (Rijn) en Maas. Het is ingeklemd tussen twee verschillende stroomgebieden van grotere Europese rivieren. Het overtollige water van stroomgebied Rijn uit Zuid Duitsland e.o. en de Maas uit Frankrijk/Belgie werd langs het land van Maas en Waal afgevoerd via het Hollands diep naar de Noordzee.

Tussen 1300 en 1350 zijn de huidige dijken ontstaan, de rivierdijken hadden in die periode een hoogte van ongeveer 1,5 tot 2 meter.

Na elke hoogwaterperiode en dijkdoorbraken en toename van bevolking in het gebied werden de dijken verzwaard en verhoogd. Er waren bovenregionale reglementen voor het beheer en onderhoud van deze dijken, er was een tweejaarlijkse schouw.

Voor het onderhoud van de dijk was een stelsel van belasting tussen ambt of de hoge heerlijkheden en dijkgeslaagden.

De dijkgeslaagden waren de grondeigenaren en pachters die de verplichting hadden een stuk dijk te onderhouden. In de dorpspolders (20 in getal in dit gebied) werd deze regeling nader uitgewerkt waarbij van elke belanghebbende een bijdrage werd verwacht.

De verhoging van rivierafvoeren door de vele maatregelen bovenstrooms in Rijn en Maas betekende vele eeuwen van dijkdoorbraken en verzwaring van de rivierdijken.

De laatste hoogwaterperiode uit 1995 bracht weer een z.g. Deltaplan van verzwaring van de vele rivierdijken.

 

Dijkdoorbraken in de 18e en begin 19e eeuw.


Omdat het riviersysteem niet berekend was op haar taak van waterafvoer door verstedelijking en door de verlanding van de Biesbosch nadat deze is ontstaan in de 15e eeuw is er in deze periode sprake van erg veel dijkdoorbraken.

Tussen 1750 en 1820 zijn de rivierdijken in het land van Maas en Waal 25 maal gebroken met als gevolg inundatie van het gehele gebied. Met het gevolg misoogsten en armoede.

Ook de zandbanken in de rivieren en ijsgang belemmerden de waterafvoer en waren vaak oorzaak van deze dijkbreuken.

Een van de taken van de nieuwe dienst Rijkswaterstaat rond 1810 was de verbetering van de waterafvoer van de rivieren Waal en Maas.

Bij herhaalde ophoging van het dijklichaam werd de voet van de dijk te smal met als gevolg kwel en onvoldoende weerstand van het dijklichaam.

Bij dreigend gevaar waren tevoren tussen de dorpspolders onderling een aantal afspraken gemaakt waarvoor het z.g. dijkrecht van toepassing was. En er moesten op strategische plaatsen voldoende voorraden noodmaterialen voorhanden zijn.

De ingezetenen uit de dorpen verleenden hierbij hand en spandiensten.

 

 Terug naar het overzicht dijkmagazijnen