Stichting Baet en Borgh

 


 


Uit de "Nieuwbrief Baet en Borgh" Nr. 2, 1985, vóór de overname van de ruïne door de stichting Baet en Borgh.

 

 

Kapelruïne St. Walrick te Overasselt

 

De ruïne van St. Walrick te Overasselt, sinds 1964 eigendom van Staatsbosbeheer, verkeert in een desolate toestand. Staatsbosbeheer, contractueel verplicht om de ruïne te behouden, ziet geen mogelijkheid om tot herstel van de restanten van de voormalige kapel over te gaan. Naar het zich laat aanzien zal Baet en Borgh de ruïne binnenkort in erfpacht verwerven.

 

KoortsboomDe koortsboom bij de ruïne van St. WalrickDe koortsboom bij de ruïne van St. Walrick

 

Aan de eik bij de ruïne zijn reepjes textiel geknoopt. Niet zo lang geleden was de kapel het einddoel van pelgrimages, die door de bevolking van het omringende platteland ondernomen werden om er te bidden voor het herstel van zieke, vooral koortslijdende verwanten.

Een verklaring voor dit eeuwenoude gebruik vinden we bij de heilige, aan wie de kapel gewijd is: Walrick of Walaricus.

 

Heilige

 

De H. Walaricus werd in het midden van de 6de eeuw geboren in Auvergne in Frankrijk. Al jong voelde hij zich tot het kluizenaarsleven geroepen. Hij stond bekend om zijn zorg voor zieken; door zijn gebed werden velen van koorts verlost. Walaricus stierf omstreeks 620. Al spoedig werd hij vereerd als de patroon der zieken, speciaal van hen die aan koorts leden.

De monnikengemeenschap, die Walaricus achterliet, ontwikkelde zich rond het jaar 650 tot de abdij St. Valéry. Helaas zijn de archieven van de abdij verloren gegaan. Uit spaarzame gegevens wist dr. D. Teunissen toch nog een vrij uitvoerig geschiedverhaal te reconstrueren. Het is gepubliceerd in het Tijdschrift Numaga (Jaargang 24. nrs. 2 en 3 van 1977).

 

Historie

 

Dr. Teunissen stelt dat de abdij St. Valéry van het begin af aan als rechthebbende op de goederen van St. Walrick te OverasseIt is opgetreden. In het oudst bekende document, gedateerd 6 december 952, verklaart de Duitse koning Otto I dat zipaterspatersjn voorganger Lodewijk II, regerend van 843 tot 876, gronden onder Overasselt geschonken heeft aan de opvolgers van St. Walaricus. De echtheid van dit stuk wordt evenwel in twijfel getrokken.

In 1332 kreeg de aartsbisschop van Keulen van de paus toestemming een extra belasting in zijn parochies te heffen, maar de Overasseltse goederen van de abdij St. Valéry werden van deze belasting vrijgesteld. Dr. Teunissen concludeert dat zich in de 14de eeuw in Overasselt een nederzetting heeft bevonden, die de status van een kloosterlijke priorij heeft bezeten en die afhankelijk was van de meergenoemde abdij. Waarschijnlijk betrof het een groot boerenbedrijf, dat met hulp van plaatselijke onderhorigen werd gedreven door een kleine gemeenschap van monniken en lekenbroeders.

 

Bodemonderzoek en kapel

 

Opgravingen, in 1951 verricht door de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek, leidden tot de conclusie dat de kapel "in het laatst der 15de eeuw gebouwd is" en dat er nooit andere gebouwen in de naaste omgeving hebben gestaan.

We kunnen aannemen dat de huidige ruïne het overblijfsel is van een in 1493 voor het eerst genoemde kapel, gebouwd op een andere plaats dan de oude klooster boerderij.

In ieder geval vormde de kapel kort na 1700 al een bijna even troosteloze ruïne als ze op de huidige dag nog is. Een der oudste tekeningen die we van de kapelruïne kennen, stamt uit 1745. Deze berust in de Universiteitsbibliotheek te Leiden.

 

Offerblok voor armen

 

De ruïne van de kapel kwam uiteindelijk in handen van de familie Munter. In 1852 verkocht A.D.M. Munter zijn boerderijen en andere goederen, doch behield het stukje grond (ongeveer 3 ha.) waarop zich de kapel bevond.

Dit laatste bezit liet hij rond 1865 bij testament na aan de liefdadige instelling De Algemeene Armen te Overasselt. Hij deed deze schenking waarschijnlijk omdat zich vanouds bij de kapel een offerblok voor de armen had bevonden.

 

Herstel

Reeds kort na de overdracht moeten er herstelwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Ook moet men toen een stuk van de op dat moment al verdwenen westgevel hebben herbouwd. Daarvoor gebruikte men echter stenen van de zijmuren. Het gevolg was dat men zich genoodzaakt zag de westmuur twee meter naar binnen te verplaatsen en dus het grondoppervlak van de kapel te verkleinen.

In 1904 werden tegen de uit het lood staande muren steunberen aangebracht.

Omstreeks 1940 leek de ruïne opnieuw een totaal verval nabij. Nogmaals vond er een grondig herstel plaats (1941/42).

In de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog bivakkeerde het Canadian Royal Army Service Corps een tijdlang bij de kapelruïne. De soldaten zetten de traditie van hun voorgangers uiSituatie rond 1950Situatie rond 1950t voorbije eeuwen voort en brachten het historische bouwwerk wederom nogal wat schade toe.

In 1950 werd de ruïne alweer hersteld. De bouwvallige oostgevel werd aan één zijde verlaagd en vervlakt en de flankmuren werden nogmaals tot bijna manshoogte volledig vlak opgemetseld. De contouren van de ruïne kregen een gestileerd uiterlijk (zie foto). Weer ging iets van de authenticiteit verloren. Tegen de tand des tijds lijkt niets bestand. 

Het is te hopen dat Baet en Borgh spoedig kan starten met de zoveelste restauratie van dit monument, maar ook dat de "vernielkoorts" wordt uitgedreven. Namens het bestuur van Baet en Borgh is hiertoe reeds een lapje in de eikenboom geknoopt!