Het Verslepen der Ketels en Machines

In het najaar van 1918 werden de machines voor de Tuut per schip vanuit Hengelo aangevoerd. Het lossen van de vaak zeer zware onderdelen en het transport ervan waren een hele opgave. Immers, in die tijd waren hijs- en transportmiddelen nog zeer eenvoudig. Veel moest gewoon met de hand getild en gesleept, met assistentie van lieren en dommekrachten.

De onderdelen werden gelost aan een speciaal gemaakte noodkade naast de Tuut in de Maas. Vandaar werden de spullen over de dijk naar de Tuut gesleept met behulp van lieren en paarden. Een student, de heer Boot,  maakte van dit hele gebeuren een verslag. Uiteraard werd dit verslag met de hand geschreven en een kopie van dit verslag is bewaard gebleven. Onderstaand vindt u een transcriptie van dit verslag.

Het originele exemplaar van het verslag van de heer Boot vindt u hier.

 

 

Stoomgemaal Appeltern

Rapport van het Verslepen der Ketels en Machines vanuit het Schip

naar hun plaats van bestemming ( 1e gedeelte 31 Juli-13 Sept 1918)

Donderdag 1 Aug, des namiddags om half vijf, arriveerden twee schepen geladen met 3 ketels, machines, pijpleidingen en onderdeelen, alles geleverd door de firma Stork & Co te Hengelo (Over.)

Volgens afspraak tusschen den aannemer v/h bouwwerk, den heer G. van Heck te Alphen, en den transporteur der firma Stork, den heer J. Denecke, hebben beide schepen, (waarvan 1 eigendom van de firma Stork dit groot 203 ton, het andere groot 145 ton), gemeerd tusschen de kribben bij het Prinsenwaardje, gelegen buitendijks tegenover het Stoomgemaal. Van te voren was aldaar m/d hand gebaggerd. De bedoeling is geweest, door aldaar beide schepen te lossen, een gemakkelijken, vluggen en goedkopen transport te verkrijgen, dan het geval ware geweest, indien gelost was op de officieele loswal der gemeente Appeltern. Deze is gelegen 7 min. gaans van het werk, en wat uitgestrektheid betreft, verre achterstaand bij die v/d geïmproviseerde loswal o/h Prinsenwaardje. Bovendien kon op de officieele loswal niet alles gelost worden, en had het vervoer der ketels niet alleen veel langer geduurd, doch ook gedurende dien tijd alle rijverkeer op den dijk gestremd. 't Gevolg zou dus geweest zijn: vele ligdagen der schepen dus duurdere kosten. Bovendien had men slechte contrôle over het goed.

Over het lossen op het Prinsenwaardje zij nog medegedeeld dat door het vervoer daarover, de hooiopbrengst schade lijdt. Overeengekomen is met den heer Hiebendaal, oud burgemeester van Horssen, eigenaar der te gebruiken grond dat de hooiopbrengst van de Prinsenwaard vergeleken zal worden, met die der andere waarden, en het verschil vergoed zal worden door aannemer van Heck.

Vrijdagmorgen 2 Aug. werd begonnen met het ter plaatse brengen van het benoodigde hulpmateriaal als lieren, bokken, kettingen etc. die reeds gedeeltelijk eerder waren aangekomen. ’s Middags begon men met het op de wal brengen der 1e ketel. Deze was de grootste, wegende 16720 KG welke geplaatst was, op beide andere ketels in het groote ruim van het schip van H. Rutjens.

We maakten volgens nevengaande schets een hulpbrug van het schip naar de wal. 2 Amerik. grenen balken van 40/40 cm vierkant werden a/d eenen kant gelegd op de wal en a/d anderen kant, op het gangboord van het schip, en in ’t midden onderstopt door een stelling van damwanden.

 

De ketel werd eerst 35 cM opgetakeld. Daartoe hadden we een 2 tal bokken geconstrueerd. We klemden deze onderaan tusschen het binnen en buitenboord. Zijdelingsch schranken der bokken werd belet, door beide balken door een kabel onderling te verbinden, die werd vastgemaakt aan boeg en achtersteven van het schip.

Aan de balken werden 2 kabels bevestigd respectievelijk kunnende dragen 5000 en 4000 KG. Toen de ketel hoog genoeg was opgetakeld, waartoe aan iedere weston-takel 2 man trokken, werden daaronder 2 yzeren balken geschoven, rustende op beide andere ketels en het gangboord, zoodanig gesteld, dat de Am. gr. balken even hoog lagen als deze yzeren. Zoodoende kon de ketel eenmaal op de yzeren balken liggende, gemakkelijk met behulp v/d lier op de wal gebracht worden.

Hiertoe hadden we twee staaldraden 2x om de ketel geslagen het eene einde verbonden a/d paal i/d grond geslagen (zie schets) het andere einde aan de lier. Beide lieren hebben een enkel-lier-vermogen van 5000 KG.

Op deze manier werd de ketel op het land getrokken.

De beide andere ketels werden toen op gelijke wijze uit het schip getakeld als de eerste, echter met dit verschil, dat beide bokken op éénzelfde plaats kwamen te staan, en dus dien kant der ketels omhoog brachten, terwijl de andere kant omhoog gebracht werd, door een vijzel en 2 dommekrachten. Waar beide andere ketels 14120 KG, en 7900 KG wogen, werden voor de veiligheid van menschen en materiaal, gedurende het hijschen, tegelijkertijd onderstoppingen aangebracht, zooals op schetsje even is aangegeven. Daar niet genoeg damwanden en biels aanwezig waren, werd(en) de onderstopping(en) onder de draagbalk naar den oever, zoonoodig afgebroken. Eenmaal op hoogte zijnde, werden ook weer hier de yzeren balken ondergeschoven, en de ketels op de oevers getrokken, beter gezegd: gerold.

Voorts bevonden zich in het eerste schip in het groote ruim, enkele kleine machine-onderdeelen, die eenvoudig met de giek van het schip (hijschvermogen 1500 KG) op het land werden “gezwaaid”, en beide zuig- en pers-monden. (Gebruik giek kost f 30 ....)

Deze werden met 1 bok omhoog gehaald, en daarna op een slee geplaatst. Zoo’n slee bestond uit 3 damwanden op 40 cM afstand van elkaar en onderling verbonden door 2 kortere damwanden, op de hoeken door bouten aan elkaar bevestigd. Zoo’n slee werd op yzeren rollen, voortgetrokken op land en aldaar gedemonteerd, voor een volgende stuk. In het voorruim van dit schip waren geborgen 5 zuig- en persbuizen. Het omhoog brengen geschiedde nu anders.

Daar dit vóór de mast moest geschieden, konden de bokken niet gesteld worden, en eveneens was de giek buiten gebruik. Daarom werd het tweede schip (eigenaar: firma Stork) langszij het eerste gemeerd, en met behulp van de giek van dit schip werd het voorruim van het eerste schip gelost. De giek van dit schip kan 5000 KG last velen, en daar ieder der buizen niet meer dan 2000 KG woog, was gevaar voor ongelukken buitengesloten.

Den 10 Augustus (Zaterdag) des voormiddags 11 ure, was het eerste schip gelost en kon vertrekken.

Het geheel verliep zonder eenig belangrijk ongeval. Echter zij vermeld, dat bij het transport van de 2e persmond, wegende 3150 KG, een klein oponthoud kwam. Nauwelijks op de houten slede rustende, begaf zich een minder solide damwand met het gevolg dat de persmond opnieuw kon worden opgetakeld en een nieuwe slede gefabriceerd, hetgeen, naar ik meen, een oponthoud slechts van 1 ½ uur kostte.

Maandags den 12 Aug. werd begonnen met het lossen van het tweede schip. Dit was geladen met 2 centrifugaalpompen op yzeren sleden, wegende ieder 9010 KG, 2 complete machines op yzeren sleden, ieder wegende 7190 KG, 2 slakkenhuizen, 2 lucht- en 2 voedingpompen, 2 machine assen, 2 regulateurs, 2 vliegwielen, en verder, zuigbuizen, stoomdrogers, 9 ketelstoelen, koppelbussen, stoomleidingen, achter- en voor- lagers en de verdere onderdeelen.

Het geheele transport was gelijk aan dat der voorgaande stukken. De zwaardere werden met behulp van de beide bokken en vijzels, door onderstoppingen gesteund, opgetakeld, de lichtere eenvoudigere met de giek. Geen incident deed zich hiermede voort en den 21 ste Aug. (Woensdag) was ook dit schip gelost.

Direct daarop werd begonnen met het thuisbrengen van beide machines. Deze volgden den streep-stippellijn op het situatie-plan aangegeven, terwijl een der lieren was opgesteld naast A. De lier werd vastgehouden, door een yzeren ketting, geslagen om een der boomen voor de keet. Op een rails van damwanden werd de slede weer aan yzeren rollen voortgerold. De staaldraad werd bij B om een rechte hoek geleid, en stond na 1 dag reeds bij C op den afrit naast het oude huis. De lier werd toen gevierden vanzelf zakte de machine den dijk af. Achter het huis werd dit gevaarte door boomen, en 4 man aan een touwtakel voortbewogen, om uiteindelijk in de kleine schuur (achter) het aannemers-vertrekje, tijdelijk te worden opgeborgen.

Het transport van beide machines vanaf hun ligplaats op de Prinsenwaard tot bovengenoemde schuur duurde precies 3 dagen.

De kleine machine onderdeelen, en de 9 ketelstoelen werden ook dadelijk achter en in het huis opgeborgen. Het vervoer dezer lichte stukken geschiedde op een slede, door een paard voortgetrokken, alle langs de – door de streep-stippellijn aangegeven) weg. Voor de grootere stukken, zowel de 3 ketels, beide centrifugaalpompen, alle buizen, de pers en zuigmonden, het vliegwiel (2660 KG) en de oververhitters koos men den weg, op de situatie aangegeven door de stippellijn. Achter den dijk was reeds door de grondwerkers, daar waar de stukken den dijk zouden afgaan, de grond aangeraseerd, en een gelijkmatig hellend talud gevormd. Voor den dijk, bij D. moest echter een kunstmatige helling worden geconstrueerd, daar het hoogteverschil tusschen den dijk en de uiterwaard 3,5 M bedraagd. We maakten dus een helling van ongeveer 1 op 59 lang ongeveer 20 M. De eerste 2 M der helling bestonden uit een stopping van biels en damwanden. Daarop volgden volgens nevengaande schets, 2 Amer. Grenen balken van 30/30 cm vierkant (2 stuks) ... 2 stuks, door damwanden onderstopt. Hierop liep over yzeren rollen, de slede, die de ketel draagt.

Deze slede bestond uit 2 I yzeren balken, ter lengte van de ketel, die door 3 tusschen balken aan elkaar geklonken waren. (Ter verduidelijking nevengaande de doorsnede dwars over de slede). De lier, die de ketels en verdere groote stukken, op deze wijze over den dijk moest trekken, was geplaatst achter in het ketelhuis. Deze werd vastgehouden door een ketting welke om de schoorsteen was geslagen, door een daartoe in de muur gespaard gat.
Maandag 2 September ’s ochtends half zeven, begon men met ’t vooruitbrengen van de 1e en zwaarste ketel. Deze lag denzelfde avond nog tegen den voet van den dijk, voor de helling. Den volgenden dag ’s ochtends gaat deze de helling op. Een strop is gemaakt van staaldraad. 6 maal hieraan halende part op 2 schijven 2 schijfs. Het doode eind is weer om een paal geslagen. 3 man aan de lier kunnen nu gemakkelijk de ketel optrekken. Om 12 uur staat de ketel geheel op de dijk. 't Rijverkeer is geheel gestremd.

’s Namiddags om 2 uur over den dijk en ’s avonds in het ketelhuis, weliswaar op zijn plaats, doch nog niet gesteld voor het vervoer den dijk af, werd de lier op de waard in gebruik gesteld. Deze verbonden zijnde met de ketel, werd langzaam gevierd, de 2e lier, in het ketelhuis staande, gehaald. Het vervoer van alle nog op de waard liggende stukken geschiedt langs deze weg op geheel overeenkomstige wijze.

Nadat de 2e ketel slede weer gedemonteerd was, begon de sjouwersploeg, groot 6 man, met het overbrengen van kleinder goed daar de transporteur, de heer Denecke in Hengelo, aanwezig moest zijn

Woensdag en Donderdag 4 en 5 Sept, werden besteed om

                2 zuigmonden achter b/d schoorsteen

                1 vliegwiel bij machinehuis

                2 persmonden onder a/d dijk

te brengen.

Vrijdagochtend, bij terugkomst van den heer Denecke werd op precies gelijke wijze begonnen met het transport van ketel no 2 welke Dinsdagmiddag 10 Sept. om 2 uur op zijn plaats lag, doch ook niet gesteld. Bij deze ketel deed zich een incident voor. Toen de ketel de helling op was, en de rol juist van de helling op de damwand, die op de dijk lag, wilde overgaan, bleek dat deze eerste damwand niet vast genoeg lag. Het resultaat was dus, dat de rol, de damwand vooruit schoof, en uiteindelijk in de ontstane gaping zakte, waardoor het dijkverkeer 1 uur langer werd gestremd. Door ’t uitzagen van enkele stukken hout, en het vormen van een flauwe glooiing, waardoor de rol, weer o/d damwand liep, werd dit oponthoud dat zich eerst ernstig liet aanzien, teruggebracht tot 1 uur.

Woensdagmorgen 11 Sept. werd de slede gelegd onder ketel no. 3 en is deze ’s avonds tot onder aan den dijk gekomen. Het afgaan van den dijk zal anders geschieden, daar de lier niet goed gesteld kan worden. Het zal geschieden door middel van boomen en ’t vieren van de lier o/d Prinsenwaard. We veronderstellen, dat de 3e ketel Vrijdagmiddag geborgen is.

Op ’t oogenblik, dat dit rapport gesteld wordt, bevinden zich nog op de Prinsenwaard:

                2 complete centrifugaalpompen op yzeren sleden

                3 oververhitters

                13 zuig en persbuizen

                1 vliegwiel

                2 persmonden (onder aan den dijk)

 

Overzicht der Arbeiderslonen, gedurenden het slepen van 1 Aug. - 14 Sep.
Omschrijving van het sleepstuk totaal gew. in KG Aantal uren aan gewerkt Aant. Arb loon per uur in gld Totale loon- kosten
uit het schip op de waard totaal
1 Lancashire ketel 16720 13,- 20,- 33,- 6 0.30 f 59,-
1 Lancashire ketel 14120 20,- 24,- 44,- 6 0,30 f 79,-
1 Cornwall ketel 7900 10,- 25,- 35,- 6 0,30 f 63,-
1 machinerie 7190 10,- 15,- 25,- 6 0,30 f 45,-
1 machinerie 7020 10,- 15,- 25,- 6 0,30 f 45,-
Kleine onderdelen (vervoerd per kar en paard) 23150 58,- 56,- 114,- 6 0,30 f 195,-
f 20,-
--------
f 215

Dit rapport opgemaakt: 12, 13 Okt
De volontair v/h werk

handtekeninghandtekening